Dichteres aan zee
Dichtwerk
Ze zijn er weer: bloembollen. Om in de grond te zetten of in de vensterbank. Alvast een voorproefje in de vorm van een haiku:
vier hyacinten
stralen in de vensterbank –
honderden bloemen
Ik zal af en toe onder Dichtwerk een haiku zetten die ik in de loop van de afgelopen jaren geschreven heb. Of een tekst die Kort is en die ik ook zo noem: Kort. Of een haiku, zie boven, en één of twee korte teksten… Hier de eerste twee korte teksten.
Ontdekken dat al het negatieve
Het positieve al in zich draagt.
Het vraagt slechts om verandering.
———————————
Als je luistert
naar de stilte
blijven over
de adem en de wind.
———————————–
Iets over mezelf
“… dit is nu een dwaling, een grote dwaling, en de ondervinding in het leven leert ons dat, waar wij niet in vrede kunnen leven met onze medemensen, ook geen poëtische bewondering bestaat, noch kunstzinnig genot, geschikt om de kloof te overbruggen die diep in ons hart ligt.”
Dit citaat komt uit het boek “Een winter op Majorca” van George Sand, bladzijde 177. Ik heb een citatenschrift waarin ik in de loop van mijn leven citaten heb overgenomen uit boeken die ik las. Zolang ze nog leesbaar zijn, met ballpoint geschreven… publiceer ik er af en toe een.
Ik heb in mijn werkzame leven een aantal gedichtenbundels gepubliceerd. Na een aantal jaren van rust en stilte is nu Lopen op de dijk, bundeltje en cd, te koop.
Het nieuwe project waar ik aan werk is een novelle van het verhaal over ome Ko dat in het Volkskrant magazine stond in de vorm van een liefdesverhaal: “Puur als Plato.” Er is over dat verhaal ook een podcast gemaakt als onderdeel van De liefde van nu. Te beluisteren via De Volkskrant app of via YouTube.
Als laatste dit: In Zeepost 18, onze nieuwsbrief van oktover 2025, stond een Zeer Kort Verhaal van mij. Daar werd zo enthousiast op gereageerd dat ik het hier ook weergeef. Het gaat over de laatste demonstratie die ik dit jaar meemaakte: de derde rode lijn.
Voor de laatste keer
Het plein is aan het volstromen. Grote en kleine mensen, spandoeken en trommels, een massa die steeds roder wordt en een stroom die steeds groter wordt. Wij zitten op een bankje aan de zijkant. Mijn lief is niet lekker geworden op de heenreis. We drinken wat, eten een boterham en slaan alles gade. Mensen met kartonnen borden, op een ervan “Ik schaam me rood”. Anderen die een Palestijnse vlag als regenjas gebruiken. Eerder zag ik een man met een wijde bos haar en een gebreid keppeltje achterop zijn hoofd lopen. Als ik naar de kleuren van het gehaakte keppeltje kijk schiet ik vol: rood, groen en wit.
Naast me zit een oudere man met grote, vochtige ogen naar de groeiende massa te kijken. Zijn hele aanwezigheid straalt stilte uit en hij heeft een zachte ver-weg-blik in zijn ogen. We zitten al tientallen minuten naast elkaar en telkens als ik naar hem kijk word ik nieuwsgieriger. Na wat aarzelingen vraag ik voorzichtig: “Wat vindt u hiervan?” Enigszins verbaasd kijkt hij me aan, denkt lang na over mijn vraag. Hij gaat zo zitten dat hij mij recht kan aankijken, zegt dan met een hese stem: “Dat is moeilijk te formuleren. Ik heb de twee grote demonstraties rond de neutronenbom mee georganiseerd.” Ik knik. “En nu deze demonstratie. Het zal de laatste zijn die ik kan zien.” Grote ogen die nog vochtiger worden. We zwijgen. Dan vertelt hij over de twee demonstraties van heel lang geleden. Tegen de kruisraketten. Hoe hij in een grote stad woonde en samen met een vriend meedeed aan de organisatie daar. Hoe hij toen bij een politieke partij op het matje werd geroepen. Hij had tegen zijn vriend gezegd: “Leuk.” Grinnikt hij. En daar zat hij in een huiskamer, gevuld met partijprominenten, waar hij als een klein kind op zijn donder kreeg. Ik moest ook grinniken, ik kende die partij in die tijd en herkende wat er gebeurd was. Partijdiscipline en het zogenaamde verraad. Daarna vroeg ik hem of mijn vraag teveel was voor hem. “Welnee”, schudde hij. En hij praatte door. Over deze demonstratie en dat er zoveel mensen waren, net als toen. Weer die blik: “En weet je, ze komen hier niet om te demonsteren voor hogere lonen. Het gaat hier om de ander!” Hij raakte me. Het was zo waar. Hier was weer die solidariteit die ik zolang gemist had. We hadden het daarna over onbelangrijker zaken en zo zaten we daar en groeide de massa aan voor onze ogen. Een man en een vrouw die ooit jong waren en politiek actief en die nu over de dood moesten na gaan denken, hem gaan accepteren. Terwijl de Palestijnen elke dag en elke nacht geen eigen thuis meer hebben en worden gedwongen met de dood te leven.
Mijn lief was bleker geworden en we besloten naar huis te gaan. We verlieten het gigantische rode plein en liepen langs de nog steeds aanrollende groepen mensen. Golven die ons net niet overspoelden. Nu heeft mijn lief op de bank geslapen en toen hij wakker werd, vroeg ik hoeveel mensen hij dacht dat er meegelopen hadden. Honderdzeventigduizend, zei hij. Het waren er tweehonderdvijftigduizend.
