Dichtwerk
Op 1 januari 2026 is in het plantsoentje aan de Roerstraat in Volendam een lindeboom met plaquette onthuld ter herinnering aan de rampzalige nieuwjaarsbrand van 25 jaar eerder. Samen met Evert Smit heb ik, op verzoek van de organisatie, onderstaand gedicht geschreven. Bij de onthulling heb ik dit voorgedragen. Het gedicht is deels in het Nederlands, deels in het Volendams geschreven.
DE LINDE
Een blik op een boom in de Meer doet
wonderen voor een broos gemoed.
Gân zitte, vriend, ik lûister.
De bôme êbbe ier d’r âige toal,
moar dut veroal verstân ik.
Ònderddûizend woorde roaze rôend.
Vertel, vertel, vertel me.
Skraap de às van ’t glas en
vertel me. Van ’t bad en de jas,
wie er was, wie er is, vertel me.
Een kasteel van takken, niet? Rank,
met blaadjes als vogels
dansend op de bries.
Dut is de stam die stut,
de ând die pàkt as je valle,
de lucht die je kéjl instrômt,
’t woater dat de brânde blust.
Ier is wàrmte, skoaduw, koelte, alles
wet je nôdig êbbe. De ând, ’t oor,
de skoer en de rêg die drage ken,
de stam die nâir de stemme lûistert.
Zie je, het leven komt hier samen.
Zoals vogels nestelen en weer uitvliegen,
stromen de verhalen van het dorp
door de takken van de linde,
vormen met de bladeren de bonte mix
van onze natuur.
Hemeltjelief, proef hier onze kracht.
Joa, vriend, dut is ’n goeie plek.
(skoer = schouder; rêg = rug)
Op 15 maart 2025 heb ik mijn tweede bundel met Volendamse gedichten gepresenteerd: Béjlde van Vòlledam / Beelden van Volendam. Een bundel van elf gedichten in het Volendams met Nederlandse vertalingen bij beelden van de kunstenaar Jan Stuijt.
Op de contactpagina van deze site staat waar de bundel te verkrijgen is.
Recent werk in het Nederlands
BOOM. JONKERLAANTJE
Laat me zien wat jij gezien hebt.
Je was erbij, in jouw cellen
jammert de geschiedenis.
Heerlijke huizen aan ’t eind van het laantje.
Zelf was ik jong, net geplant, en nieuwsgierig.
Nieuwe geluiden en geuren, gezichten
met kisten en koffers – Herr Kaufmann, Frau Kaufmann
en later kwam ook nog een jongetje Kaufmann.
Ze kwamen van ver en voorgoed. En ze zongen.
Tot ze niet meer zongen. Of zachter.
Er kwam een vreemde geur in ’t Jonkerlaantje –
er stierf iets, maar het leefde. Opa
kwam met droge ogen, maar hij huilde.
Er moest gezogen. Sjaantje van de buren
zong het stoute liedje voor het laatst.
Daarna gefluister, enkel nog gefluister.
Maar zonder oren hoor je alles.
Ze gingen met een koffer, zonder kisten.
Ludwig, Grete. Petertje ging mee.
Geen mens op het balkon. Niemand
zwaaide uit. Ze stapten op de tram.
Verboden, maar verplicht. Bij ’t Vuur
wist waar ze woonden. Tot ook daar
de deur dicht
Ze bleven weg; het huis was leeg. Verscheurde
snippers briefpapier die niemand
lezen kon. Bomen weggerukt,
ontworteld, weggebrand.
Ook ik ben omgehakt, versnipperd
en verbrand tegen de Grote Kou.
De schimmels hebben mij bewaard
om te getuigen.
© Sijmen Tol
SCHIETGEBED
God, jongen, je mag wel in je handjes knijpen –
jij hebt maar mazzel dat je niet bestaat.
Ik zou akuut van god los raken als ik
jou was en neer moest kijken
op al die werken mijner handen.
Word jij nou niet driedubbel schizofreen
van steeds maar weer, van steeds maar weer,
van overal jezelf te moeten tegenkomen?
Geen slagveld zonder jou aan beide kanten. Hoe vaak
heb jij al niet jezelf de lucht in laten blazen?
Je houdt er vast een statistiek van bij:
de Grote Masochismelijst. Klopt mijn berekening
dat je in jouw naam al veel meer van je eigen
huizen neer hebt laten halen
dan er overeind staan in de wereld?
Wees maar gelukkig, lieve heer, dat jij
dit niet hoeft mee te maken. Zelfs zonder oorlog
wordt je schepping met jouw naam op ieders lippen
meedogenloos naar god geholpen door opperboer en
olieboorder. Wat een godvergeten teringbende. Amen.
© Sijmen Tol
DONKERE KAMER
Fotoboeken zitten in mijn hoofd
nog ongeopend, nooit bekeken;
een filmrol, onontwikkeld.
Op welke zolder zagen wij elkaar,
in welke zomer? Twintig, tweeëntwintig.
Wij waren kinderen,
de kinderen van love en peace en happiness.
Het nieuwe, lichte leven zochten wij.
Wij zagen geen gevaar. We vonden
angst, vernedering, verduistering,
een seksbeluste tovenaar.
Op welke zolder vonden wij elkaar
met Hesse en de Mahabharata?
We waren kinderen, geloofden alles.
Verruilden paus en dominee voor tovenaar.
Op een lichte zomerzolder lagen
wij met achten naast elkaar,
daarnet nog kinderen. Wij wisten niet
dat ook de eigen vrije keus
kan worden voorgekauwd, dat fuiken
nauwgezet en langzaam worden opgebouwd.
We luisterden naar magische verhalen
betoverd door de woorden en de stem.
De tovenaar zat thuis; zijn fuik moest groeien
en groeide in ons mettertijd.
De zomernacht heb ik bewaard als foto.
Vanavond wordt het negatief belicht.
© Sijmen Tol
Iets over mezelf
Ik ben slavist, dichter en Volendammer, in willekeurige volgorde. Ik ben overigens ook broer, koorzanger, en nog veel meer. Mijn eerste gedicht verscheen in 1968 in een schoolkrantje maar pas twintig jaar later begon ik mijn eigen dichtwerk serieus te nemen. En vanaf 2005 wissel ik het Nederlands soms af met mijn andere moedertaal, het Volendams.
Ik heb 34 jaar in Gouda gewoond, vanaf 1988 samen met Frouwkje Zwanenburg. Samen maakten we deel uit van de dichtersgroep Gheraert Leeu en hebben we meegewerkt aan tentoonstellingen waarin beeld en poëzie gecombineerd werden. Een aantal van mijn gedichten zijn in de loop der jaren gepubliceerd in verzamelbundels, onder andere in de bundel
“Daar begint de poëzie (de 100 beste gedichten uit de Turing gedichtenwedstrijd 2013)” en in “De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie (101 gedichten uit het Koninkrijk van 1945 tot nu)” die in 2022 verschenen is onder redactie van Tsead Bruinja.
Sinds 2009 wonen we in Edam en ook hier ben ik weer lid van een dichtersgroep.
