Zwijg niet!

Het zwijgen is de start van de dood.

Ga rondbazuinen!

Ga rondbazuinen!

En blaas met al je kracht op de bazuin!

Zodra je dat doet,

Is dat het begin van alles.

 

Gedeelte uit het gedicht “Ga sterven” van de Perzische dichter en mysticus Rumi.

Uit: Wat je zoekt zoekt jou. Kader Abdolah

Een mystieke reis door het leven van de Perzische dichter Rumi

Uitgeverij Prometheus

De bazuin in het gras

I

Soms in die jaren vielen er opeens gaten in de bodem waarop ik daarvoor zo stevig had gelopen. Zo viel ik, zonder aanleiding, door een plank in de houten vloer van ons huis. Ik zakte erdoorheen met mijn voet en ik bleef hangen. Dan trok ik mijn door de plank gezakte voet weer snel terug en liep ik verder. Als ik achterom keek was er niets te zien. Geen plank met een gat erin. Geen splintertje dat achtergebleven was, niente. 

Een maand later ontstond er niet alleen een gat onder mijn voeten, ik verdween in dat gat. Ik herinner me die werkweek nog duidelijk. We zaten in de derde klas van de middelbare school en we hadden een werkweek in het Simons Simonshuis in Maarn. Overdag deden we handenarbeid en sport en de avonden discussieerden we over de meest uiteenlopende onderwerpen. Op een van die avonden stonden we buiten in een rijtje tegen een stenen muur. Zo’n rode bakstenen muur, maar dat zag je op dat moment niet want het was stikdonker. Het rood met zijn voegen lichtte alleen op naast ons, want daar hing een kleine lamp tegen de muur. Verderop in het koetshuis brandden wel grote lampen die aan het plafond van de overkapping opgehangen waren, daar stond een groepje klasgenoten te praten met elkaar. Ik was buiten onder dat kleine lampje gaan staan met twee docenten, zag ik opeens toen ik naast me keek. Aan de linkerkant de leraar Latijn, meneer Krol en rechts de lerares handvaardigheid, Ina Fasten. Het was pauze. We hadden ervoor gesproken over de noodzaak van politieke samenwerking in Europa en nu hadden we een kwartier rust, erna zouden we als afsluiting een groepsgesprek hebben over samenwerking en individualiteit. Ik was moe, de concentratie die vanaf negen uur in de morgen opgebracht moest worden, was er gewoon niet meer, ik zakte bijna door mijn knieën en mijn oogleden wilden ook al naar beneden zakken.  

Meneer Krol zuchtte diep. “Warm, hè, binnen.” Merkte hij terloops op. Ik wist nooit wat ik aan hem had. Hij was zo stijfjes, zo onecht. Hij stond daar met zijn koffiekopje in zijn hand, een mager lijf in een te net pak voor een werkweek. Zijn haar was vet van de brillantine, over zijn voorhoofd lagen de zwarte slierten van voor naar achter gekamd, en zijn dunne lippen hield hij, zoals altijd, vaak ook tijdens de lessen, stijf op elkaar. Ik sloot mijn ogen. Van meneer Groen, onze leraar Grieks, zou ik wel elke dag les over Plato willen hebben, we gingen zelfs onderling in de pauze discussies met elkaar aan over de grot en de wereld daarbuiten. Bij Krol waren de lessen saai, langdurig en langdradig, stugge stof voor een jas die niemand aanwilde. Ik kende Krol niet anders dan van de lessen en nu stond ik hier met hem en Ina tegen die muur en wist ik niet waar ik mijn woorden zoeken moest. Het was natuurlijk een doodgewone oudere man met een gezin en kinderen die ik ook van school kende, waar ik naast stond, maar hij stond nu niet tegenover mij om wat over te brengen, maar naast me, en hij maakte ook nog plotseling zo’n doodgewone opmerking waar ik daar op die smalle stoep onder die lantaren met dat iele licht helemaal trillerig van werd. Want wat zeg je tegen een docent die je alleen maar uit het klaslokaal kent en nog nooit daarbuiten tegen bent gekomen?

Tegen de melkboer zeg je dag, die ken je, en tegen de kapper en tegen de vader van je vriendinnetje zeg je goedemiddag, dat had ik zo geleerd. Maar hoe praat je op een nazomerse werkweekavond met je leraar Latijn, die je niet kent? Het was nog verwarrender omdat Ina aan mijn andere kant stond en Ina kende ik van de lessen over het maken van video’s. Met Ina hadden we lol en die noemden we bij haar voornaam. Het bleef trouwens stil, daar tegen de muur. Er was een vaag gebied tussen beleefd en familiair, amicaal, maar hoe zag dat gebied eruit? Ik zou het niet weten! Op dat moment begon de grond onder mijn te warme voeten te trillen en ik was nog wel zo blij. Eindelijk stond ik gewoon naast mijn leraar Latijn, naast een man, er was niet meer die kloof tussen hem en mij. Niet die afstand die er was op school, niet eer de gaping die er was tussen mij en mijn vader en mijn broer. Ik wilde me zo graag vertrouwd met mannen gaan voelen, hen als een bijna vriend zien tegen wie ik gewoon iets kon zeggen. Iets dat je zou kunnen zeggen tegen iemand tussen kapper en vader in. Ik zei opeens spontaan:

“Ja, zeg, verdomd warm is het vanavond.”

Plons! Er viel een stilte waarin mijn woorden droog als was in de zoele lucht bleven hangen, traag wapperend in de zachte nachtlauwe avondlucht. Sterren flonkerden, ik hapte naar adem en die was die wapperde daar maar, de sterren tegemoet en niemand die hem van de lijn af wilde halen. De man en de vrouw naast me bleven staan in het schemerdonker en keken naar de lakens en de kniekousen en mijn kleine zelfgewassen behaatje. Traag wachtte ik en traag opende de grond, die twee tegels, zich onder mijn voeten en traag zakte ik loom wordend de grond in, de aarde werd zacht en week om me heen, opende zich met een soort geeuw en ik verdween. Ik wilde voor altijd daar beneden blijven wonen, ingedaald als tijdens mijn geboorte. Warm was het daar en vochtig en veilig. Ik wilde daar wel gaan wonen, nooit meer naast een leraar hoeven staan, nooit meer terug naar huis hoeven. Daarom zweeg ik en duwde me voorzichtig af van die roodstenen muur die nu echt zwart was en stapte uit de rij van drie mensen die daar tegen de muur geleund stonden. Ik zei zacht voor mijzelf uit, ik mompelde het meer dan dat ik het sprak:

“Nou, ik ga maar weer eens naar binnen. We gaan zo weer beginnen” En dacht: trut! Alsof zij dat niet weten!”

Ik keek even achterom en zag daar de kniekousen en de lakens en dat behaatje nog steeds in stilte aan de lijn wapperen. De lijn zakte traag naar beneden en slingerde opeens gevaarlijk tegen de gezichten van de leraar en de lerares en ik zag ze een begin maken van een glimlach, hij werd net in hun mondhoeken geboren toen ik me al lang van de muur afgezet had met mijn lauwwarme billen in mijn broek die mijn moeder gemaakt had. Ik had het bijbehorende jasje ook aan, mijn moeder had voor al haar kinderen zo’n wranglerpak genaaid.  En ik wist zeker dat, als ik binnen zou zijn, ze opeens vrolijk met elkaar zouden gaan praten, die twee daar tegen de muur, misschien wel over mij, dat vreemde meisje uit het dorp met haar wranglerpak, dat zo onverwacht van die hele gekke dingen kon zeggen, want waarom zou ze opeens “verdomd” zeggen, dat was toch totaal ongepast?

Ik stapte rechtsaf de gang van het koetshuis in en was zo blij dat ik ontsnapt was, weg uit die kleine rij en weg uit de verslindende aarde vandaan, dat ik opeens moest plassen. De w.c. was koud, de bril ook. Geel de tegeltjes om me heen, maar ik kon ze tenminste aanraken en zeker weten dat ik dat was die die handen had, die mijn broek op de grond lieten glijden, zou het hier wel echt schoon zijn?, dat ik met die handen soms piano speelde en dat ik met die handen heel oud zou worden en dat het zo akelig was dat, als je verdween onder de aarde, je die handen ook niet meer voelde. Dat je er dan eigenlijk helemaal niet meer was.

Later kwam ik nog wel eens terug in het Simons Simonshuis, voor een kerstreünie van een erg gezellig zomerkamp voor erg rijke kinderen. Er liepen op kerstmorgen dan jonge vrouwen zingend door het huis, met op hun lange gouden haren een houten krans met huls waarin brandende kaarsen stonden. Zo zingend langs alle deuren wekten ze ons, ze moesten natuurlijk de engelen voorstellen die vanuit de velden met de schaapsherders rond Bethlehem naar ons toe gevlogen kwamen om, nadat ze de herders toegezongen hadden, nu ons toe te zingen met hun zuivere stemmen. Daar lagen we in bed en keken naar ze. Ik sloot weer mijn ogen, de dekens lekker om me heen geslagen, veilig, warm, nu sloot ik mijn ogen om nog beter naar hun gezang te kunnen luisteren. Ik moest denken aan het lied dat bij mijn vriendin in de kerk gezongen werd: “Daar ruist langs de wolken een lief’lijke naam”. Ik dacht dan altijd aan engelen met bazuinen die langs de wolken vlogen en werd gelukkig, nu ook.

Als ik bij die reünies onder de lantaarns van het koetshuis liep rilde ik. Zo’n kleine rilling die langs je ruggengraat van onder naar boven loopt en die me hoe langer hoe meer vertrouwd voorkomt. Alsof je je van iets bevrijdt. En op die plek tegen de muur van de werkkamers, vlakbij die ene lantaarn, wilde ik niet meer gaan staan.

Ongeveer een half jaar later zat ik bij meneer Krol naar zijn monotone stem te luisteren, hoe hij een van die lange, verveling oproepende oorlogen als een saaie verslaggever versloeg, toen hij opeens een heel ander verhaal vertelde. Dat er overal wel eens oorlog gevoerd wordt. In het groot, zoals deze Phoenicische oorlog, maar ook in het klein, bij de mensen thuis. Het werd doodstil in de klas en hij knikte heftig. Ja, zei hij, laatst ben ik met mijn vrouw weer eens naar de zolder getogen, we hadden een laaiend conflict.

Ik zat rechtop en keek naar de man. Hij? Een laaiend conflict met zijn vrouw? Ja, ging hij door, daar spaarden ze serviezen voor, oude serviezen, die gooiden ze stuk tegen de muur van de zolder om hun agressie kwijt te kunnen.

Ik ging opeens helemaal rechtop zitten. Het was niet waar! Deze saaie man had wel eens laaiende ruzie met zijn vrouw. Ik moest denken aan mijn vader die de avond ervoor plankgas de garage uitgereden was, er hing al weken lang weer zo’n ruziesfeer in huis. Telkens vroeg mijn vader aan mijn moeder wat er dan toch was en soms slingerde hij haar die vraag in de slaapkamer achter een gesloten deur tegemoet. Mijn moeder zweeg, zweeg in een stilte die laaiend en driegend was. En wij, de vijf kinderen, liepen op eieren door die stilte heen, bang de schalen te breken van alles wat op de vloer daar in het nest lag, wat zo breekbaar was en wat we met ons allen net zo mooi aan het uitbroeden waren.

Ik hoefde niet te weten waar het om ging, al dat lawaai en die stilte, ik wilde alleen dat het overging, dat het weer voorbij zou zijn en dat mijn vader weer met een bos rozen glimlachend de keuken binnenkwam en mijn moeder zou omarmen en dat mijn moeder zich dan niet zou onttrekken aan zijn omhelzing, maar met een kus zou antwoorden. En nu was daar meneer Krol met zijn verhaal. Ik zag hem staan, tussen de hutkoffers en de was die aan de lijn te drogen hing, bang! daar ging een kopje en beng! daar drie borden en zo ging het er daar op hun zolder aan toe, wat een heerlijkheid! Ik zag een heel servies aan gruzelementen geslagen worden en ik zou er weet ik niet wat voor geven om daar bij te kunnen zijn! Ik zou ook zo graag eens een kopje of een schoteltje en het liefst een heel servies aan stukken willen slaan tegen onze houten zolderwanden, heerlijk leek mij dat!

Opeens was het weg, de zolder, het conflict, de levende meneer Krol die er even was. Opeens was er alleen weer die stijve man met die smalle lippen op elkaar die door de klas liep en even wat vertelde en ons het liefst zo veel mogelijk uithoorde over die oude duffe oorlog met die horden mannen en paarden en zelfs met olifanten die over bergen trokken, wat een vreemd spektakel. Ik dacht aan mijn vader in de garage en aan mijn broer, die me die ochtend weer gepest had onderweg van huis naar school. Misschien hoorde het wel bij elkaar, misschien ging mijn broer wel mij pesten als mijn ouders ruzie hadden, ook dat begreep ik niet, ook daarvan wilde ik alleen maar dat het overging. Maar meneer Krol had me wel lucht gegeven. Ik wist nu opeens hoe je ook samen een ruzie zou kunnen  oplossen: naar de zolder gaan en een heleboel servies aan gruzelementen kapot slaan tegen een muur, het leek mij fantastisch.

II

Ergens in diezelfde tijd sloeg ik mijn agenda open en keek ik naar het huiswerk voor die week toen mijn oog op de spreuk viel die rechts onderaan de bladzijde stond: “Alles stroomt, niets blijft.” Heraclitus. Nog nooit van de man gehoord.

Ik hield op met denken over het huiswerk en werd verblind door het beeld van een stromende rivier waarin alles voorbij ging. Haast alsof ik zelf in het water stond en alles om heen zag stromen. Ik was perplex. Het was of er iemand plotseling de twee kartonnen kokers van een rol wc papier, die ik steeds voor mijn ogen hield, weghaalde, waardoor ik de werkelijkheid onverbloemd groot en echt voor me zag en niet meer door mijn eigen beperkte kokerblik: dat alles, die werkelijkheid van elke dag, ging voorbij. Het duizelde in mijn hoofd. Als alles voorbij ging, wat betekende dat dan? Ik, mijn leven ging voorbij, en dat niet alleen, ook het leven van de school en van de leraren en leraressen en zelfs dat van mijn ouders en van alle mensen die nog na ons zouden komen…het was niet te bevatten. Het maakte me intens blij en zelfs opgelucht, maar die opluchting begreep ik niet helemaal. Ik moest nog wennen aan de nieuwe werkelijkheid en die dag fietste ik naar huis en zorgde ik dat ik ver uit de buurt van mijn broer bleef en keek ik naar de groene weilanden en de koeien die erin stonden en die ene stier waar ik soms bang voor was, vooral als ik een rode jas droeg en me bedacht dat ik ook een rood truitje daaronder aanhad en zelfs een lichtroze onderbroek. Zouden stieren verschil zien tussen rood en roze?

Ik dacht bij alles: dat verdwijnt. Dat stroomt ook, het is allemaal tijdelijk. Ik begon alles, maar dan ook alles op een totaal andere manier te waarderen en werd er aanvankelijk doodmoe van, zoals ik van alle nieuwe indrukken en gezichtspunten moe werd, al mijn hele leven lang. Ik liet dat nooit aan iemand merken, ik dacht dat iedereen zo duizelingwekkend dacht en dat iedereen dat op een eigen manier wel oploste.

Het weekend erna, een zomers weekend in mei, had ik mijn huiswerk af. Op die zondagmiddag waren mijn ouders en broer en zussen naar de bossen gegaan om te wandelen en “er eens even lekker uit te zijn”, zoals mijn moeder dat noemde. Ik had genoeg van de dreigende stilte tussen mijn ouders, het was een van de wapenstilstanden zoals die er in al die oorlogen van de Latijnse les ook regelmatig waren, en daarom lokte mij dat lekkere eruit zijn helemaal niet. Daarnaast bracht mijn getwijfel mijzelf zo in de war: ik wilde er zo graag bij zijn, bij mijn familie horen, meegaan en plezier hebben, zonder de driegende stilte tussen mijn ouders, zonder de onuitgesproken woorden. Maar mijn moeder liet me juist nu zo merken  dat ik natuurlijk mee hoorde te gaan, dat dat van me verwacht werd. Zonder dat me gevraagd werd waarom ik zo twijfelde. Ik wilde niet mee, besloot ik, en de verscheurdheid hield op. Ik bleef thuis, met mijn verdriet over dat telkens weer verscheurd worden en al.

Het was zonnig, de lucht strekte zich strak blauw boven ons dorp uit, ik hield van dit open en blote weer. Ik had lui en loom op een stretcher bij de border achterin de tuin gelegen, toen ik besloot even te gaan schommelen, gewoon loom schommelen op een warme zondagmiddag, dat deed ik graag, daar werd ik rustig van. Op de schommel zittend herinnerde ik me opeens weer hoe ik als klein kind zo graag op de schommel had gezeten en dan telkens omhoog zwiepte, steeds hoger, in het verlangen erachter te kunnen komen hoe het zou voelen als je een heel rondje door de lucht zou maken, als een soort projectiel rond de bovenste balk vliegend, zonder ervan af te vallen. Er was iets in me dat zei dat dat niet kon, dat ik dat beter niet moest doen, niet eens zou moeten proberen, dat dat rampzalig zou aflopen, maar het verlangen het te doen was zoveel groter dan dat angstige voorgevoel, dat ik nog af en toe, middelbare scholier en al, in gedachten eromheen draaide en me nog steeds afvroeg of je het dan zou redden of dat je een doodssmak…verder durfde ik niet te denken. Net zoals ik ook vaak vroeger op de trap ging zitten en probeerde, met mijn billen op de traptrede zittend, omhoog te schuiven, ook dat lukte niet. Maar dat probeerde ik tenminste! De salto in de lucht probeerde ik niet eens. Moest ik constateren dat er soms iets op deze wereld was dat maakte dat je dat wat je wilde, niet deed? En als dat er was, hoe werkte dat dan?

Zacht schommelend zat ik op de plank en neuriede, ik keek voor me uit en om me heen. Ik tuurde over de heg van het kleine tuintje waar ik zat naar het huis van de zuster en haar moeder dat in onze achtertuin  stond, naar het mooie bloeiende rozenperk. Daar zag ik opeens boven de lage rozenstruikjes dat roze stipje vliegen. Rank was ze en licht, ja natuurlijk, het werd zomer, ze waren er weer! Dat gebeurde me niet zo vaak, alleen als het erg warm was kwamen de elfen. En deze was zo mooi! Ze had een roze jurkje aan met een rimpelrokje, het was weer een van de elfen van het schilderij dat vroeger op mijn kinderkamer hing en nu voorgoed verdwenen was. ‘s Avonds voor het slapen gaan keek ik vaak naar het vrolijke orkest dat daar op de paddenstoel stond, met als dirigent een kabouter ervoor met een dirigeerstokje in de hand. Ik keek weer weg. Zou de elf er straks nog zijn? Het was steeds weer een verrassing, ik hield van ze, dat wisten ze, ze kwamen soms terug, soms niet. Nu zag ik een andere kleine figuur vliegen, maar dat was in de verte, van achter het huis van de achterbuurman vandaan. Wat kwam die snel dichterbij. Ik keek ernaar, tegen de zon in, en zag hoe een schitterende witte lichtvlek uit de blauwe lucht op me af kwam gevlogen. Alsof ze al de hele dag van plan was geweest bij mij op bezoek te komen. Ik had net weer zitten nadenken over dat “alles stroomt, niets blijft”en aan het water van de Zuiderzee, waar ik vaak op de dijk naar zat te kijken, en daar was de engel. Was het een engel? Ze had iets in de hand, het was, ja, het was de bazuin die de beide engelen op de klok van oma ook aan de mond hadden. Ik kon daar lang naar zitten kijken als ik vroeger bij mijn oma logeerde. Ze stonden ieder bovenop aan een kant van de Friese klok, die tegen de muur hing waar tegenover ik aan de tafel in tijdschriften zat te lezen en te bladeren. Ze hadden de bazuin aan hun mond staan, alsof ze er elk moment op konden gaan blazen. Het was stil in huis, oma deed haar middagslaapje. Hier was het tenminste rustig, zo heel anders dan bij ons thuis, waar het altijd druk was, zelfs als mijn moeder een middagdutje lag te doen kon de telefoon gaan of iemand aanbellen. Maar deze engel had de bazuin in de hand, landde en legde hem nonchalant in het gras neer. Ze liep met een lichte pas naar de populier die het dichtste bij stond en leunde ertegenaan, terwijl ze mij glimlachend aankeek. Ik werd helemaal stil. Niet alleen van buiten, mijn benen schommelden niet meer, mijn mond deed de lippen op elkaar, ook vanbinnen waren er opeens geen gedachten meer.

“Dag Fleur.” Zei de engel tegen me, terwijl ze niet sprak. Het ging in gedachten en ik vond het volkomen logisch en vanzelfsprekend.

“Dag Fleur.” Ik knikte. “Vandaag ben ik naar je toegekomen om jou stil te leren zijn.” Ik was stomverbaasd. Mijn hemel, wat was ik vaak stil! Het was blijkbaar niet genoeg. “Ik wil je een waarheid leren.” De gedachten gingen niet als woorden over en weer, de engel sprak ook niet, het waren een soort wolkenstralen die gewoon van haar wezen naar dat van mij fladderden.  

“Alles stroomt, Fleur. Dat klopt. Je moet je dat heel goed realiseren.” Ik hoorde geen woord van wat ze zei, maar ik begreep het des te beter. Ik zag een soort vlerken vol licht, zachtgeel licht, tegen de zijkant van het lichaam gevouwen. Noemden ze dat nu vleugels, net zo glanzend als de stralende gloed die om het kleine lichaam heen hing? Maar van een lichaam was er bij dit wezen ook geen sprake. Ik kon niet eens zien of het een man of een vrouw was, het was eerder een verblindende lichtvlek met een trillende witzachte gloed om zich heen, maar zelfs lichtvlek was niet het goede woord. Het was helemaal stil, merkte ik op, in het kleine tuintje achter onze gewone tuin, waar de schommel en de drie populieren stonden, maar ook in de straat daarachter.

“Alles verandert, de rivier stroomt en alle waterdruppels daarin stromen ook, maar de rivier zelf verandert telkens weer, net als haar druppels en net als het water in de zee.” Ik knikte weer, ik begreep het helemaal, urenlang kon ik op de dijk naar het water zitten turen en werd dan helemaal leeg, juist omdat dat uitzicht steeds veranderde. “Alles gaat afgebroken worden in je leven. Er zal niets meer hetzelfde zijn. Het Simon Simonshuis ook, dat moet je je heel goed realiseren.” Even was ik perplex. Blijkbaar wist de engel of wie ze ook was wie ik was en wat ik deed, maar ja, als ze ook wist dat ik Fleur heette, waarom zou ze dan niet kunnen weten waar ik in mijn kerstvakanties was en waar zou dan de grens van haar vermogen liggen? “Dat gebouw, zie het voor je, de hal met de lampen, de muur waartegen je stond, en zie dan dat het langzaam overwoekerd zal worden door onkruid en gras, langzaam zal dat hele Simon Simonshuis afgebroken worden en het zal een ruïne worden.” Ik glimlachte en de engel zag ik ook even glimlachen. Ruïne en reünie, het was te leuk om niet even over te glimlachen.

“Het zal verdwijnen. Er zullen daar geen engelen meer rondlopen, Fleur, en er zullen geen liederen meer gezongen gaan worden.” Er sprongen tranen in mijn ogen. Daar had ik niet bij stilgestaan. Gek, ik was me gaan realiseren dat mijn ouders zouden kunnen sterven en verdwijnen. Ik zelfs laatste gedroomd dat ik in een kelder moest afdalen en daar alleen stond en opeens een kist zag staan. Ik liep erheen, keek erin en zag tot mijn schrik mijn dode moeder in de kist liggen. Ze was gestorven! Ik was radeloos toen ik ontwaakte. Maar deze elf vertelde me nu dat zelfs zo’n oud gebouw, dat al die erin verborgen herinneringen, dat dat alles groen zou gaan worden en zou gaan afbrokkelen als de legotoren die mijn broer en ik bouwden en die mijn zusjes ‘s avonds met hun kleine handjes stuk mochten slaan. Dus zo zou deze wereld met al haar gebouwen, haar kerken en huizen, haar torens en bezienswaardigheden, met al die mensen die aan die huizen en gebouwen verbonden waren, ook verdwijnen. Ik werd moe en verdrietig en zag opeens hoe de engel nee schudde en ik hoorde haar zeggen:

“Nee, zo gaat dat niet. Ik ben hier om je te vertellen dat er een eindeloosheid is die je nooit uit het oog mag verliezen. Ook al wordt alles dat er nu is afgebroken, er zal altijd leven blijven. Juist omdat alles verdwijnt.”

Toen schudde ze haar lange stralende lokken naar achter, ze golfden rond haar schouders en over haar vleugels, wat een vibraties, en trok even een grimas. “Dat begrijpen de meeste mensen nou juist niet, maar het is zo. Wees dapper, Fleur, je moet dit gaan begrijpen in het leven. Meer kan ik je nu niet onthullen, maar twijfel niet, ga door en blijf jezelf. Wij verdwijnen uit dat huis, we zullen er ook altijd zijn.”

Ze lachte tegen me, zo’n mooie geheime-stilte-lach, dat ik hem nooit na zal kunnen vertellen. Ze vloog weg en haar haren glinsterden. Ik zag dat ze een stralend witte jurk droeg, iets dat om haar wezen wapperde, en ook zag ik dat ze erg groot en sterk was en hoe ze steeds vager werd. Hoe het helle licht om haar heen verdween en hoe ze toen ook zelf een soort kleine ster werd die wegvloog, de blauwe lucht in. Ik zat weer alleen op de schommel en zweeg.

Dus alles verdween en daardoor zou alles blijven. Blijven stromen en blijven leven. Ik snapte het en ik snapte er niets van. Ik slikte en had een droge keel. Ik moest maar wat gaan drinken thuis. Ergens vloog een vlinder rond en opeens kwam alles weer tot leven, zag ik lieveheersbeestjes door de halmen kruipen en hoorde ik een vliegtuig ver in de lucht brommen. Het leek of ik gedroomd had. Ik stond op van de schommel en zag opeens de kleine koperen bazuin die in het gras lag te glanzen tussen de grassprieten. Ze was hem vergeten! Ik bukte en pakte hem voorzichtig op, hij was vederlicht en zo’n tien centimeter lang. Hij leek op de bazuin die de engel bij ons in de kerstboom droeg, maar die was van glas. Ik liep met de bazuin voorzichtig op mijn open hand langs de rozenborder van de zuster en haar moeder en langs onze eigen borders, vol met bloeiende voorjaarsbloemen, naar huis. De deur van het terras stond open en ik liep de keuken in. Dit alles zou ook verdwijnen.  Zouden mijn ouders zich dat realiseren als ze ruzie hadden? Wat was alles kostbaar.

Opeens stond ik stil. Midden in de keuken, vlakbij de keukentafel waar de dienstmeisjes vroeger aan zaten om te eten. De grond waar ik in verdwenen was hoorde bij het Simon Simonshuis. Zoals ik daarin verdwenen was, zo zou dat gebouw zelf ook verdwijnen! Diep in me werd iets geopend en gleed, daar in onze kerken, een smerige massa uit mij de grond in. Het had te maken met de engel, maar ook met de spreuk in mijn agenda en met de brokstukken van het servies van meneer Krol. Wat wist ik niet en hoe het allemaal ging binnenin mij wist ik ook niet. Maar het had met al die voorvallen te maken en met het bezoek van dat wezen dat ik voor het gemak wel een engel of een elfje wilde noemen, maar dat was ze niet en daar ging het ook niet om. Er was me die middag iets geschonken, iets kostbaars, waarover ik verder met niemand zou kunnen praten.

Ik keek naar de bazuin die op mijn wat zweterige hand lag. Ik moest hem verbergen. Langzaam en nadenkend liep ik door de keuken naar mijn eigen kamer, die daaraan grensde, ik was de enige van het gezin die beneden sliep. Ik wist het al. Ik zou de bazuin verbergen bij mijn dagboek. Niemand wist van dat dagboek. Niemand wist waar het lag. Ik zou de bazuin in dat aparte vakje links onder mijn bureaublad leggen, zodat noch mijn moeder noch iemand anders dat dagboek en die bazuin zouden ontdekken. Ze hoorden vanaf nu bij elkaar. Het waren mijn geheime bezittingen. De rest zou er niet meer toe doen. Het zou toch maar allemaal verdwijnen. En uiteindelijk dat dagboek ook en zelfs de bazuin. Het was blijkbaar zover, eindelijk had iemand mij iets van het leven verklaard. Ik hunkerde al zo lang naar antwoorden op al die vragen en twijfels en onzekerheden in mijn hoofd.  Ik was eindelijk op weg naar de volwassenheid, ook daar hunkerde ik al zo lang naar. Zo begon het dus, dit was een eerste stap. En die stap was net zo belangrijk als mijn eerste bh, die ik een jaar geleden gekregen had, de eerste brommer die vanaf volgend jaar augustus bovenaan mijn verlanglijst zou staan en de eerste zoen waarop ik al zo lang wachtte.

Frouwkje Zwanenburg

Edam, 15-06-2026